empirio.ai

Wat zijn Single-Choice vragen? Definitie & Voorbeeld

Een single-choice vraag lijkt simpel en bepaalt toch je hele analyse. Waar een goede antwoordlijst op vastloopt en wat een tentamen er nog bovenop legt.

Auteur bij empirio.ai - Maria Malzewdoor Maria MalzewBijgewerkt op 24 september 2026Leestijd 11 min

Stel je twee vragenlijsten naast elkaar voor. In de eerste mag je bij “In welk studiejaar zit je?” vijf hokjes aankruisen, in de tweede precies één. Alleen de tweede levert aan het eind een verdeling op die zonder omwegen in een cirkeldiagram past.

Een single-choice vraag is een gesloten vraag met meerdere antwoordmogelijkheden waarvan de respondent er precies één kiest. Elk antwoord sluit de andere uit, dus ontstaat er per persoon en per vraag één waarde en blijft de analyse eenduidig. Of dat uiteindelijk standhoudt, beslist bijna altijd de antwoordlijst. En staat dezelfde vraag in een tentamen, dan komen er regels bij die in geen enkele enquête gelden.


📌 Het belangrijkste in het kort

  • Een single-choice vraag laat precies één antwoord uit meerdere opties toe.
  • In het Nederlands heet dit vraagtype meestal gewoon een meerkeuzevraag.
  • Het meetniveau zit in de antwoordopties, niet in het vraagtype.
  • Antwoordopties horen uitputtend te zijn en elkaar niet te overlappen.
  • Bij vier alternatieven raadt een kandidaat gemiddeld een kwart goed.

Gratis enquête maken

Met empirio.ai maak je in enkele minuten een moderne online enquête — met hosting in de EU.

  • Enquête met AI
  • Aanpassen met drag & drop
  • Analyse in realtime
Gratis beginnen

Wat is een single-choice vraag? De definitie

Een single-choice vraag is een vorm van de gesloten vraag, waarbij de respondent uit vooraf gegeven categorieën precies één keuze maakt. Cito omschrijft een gesloten vraag als een vraagtype waarbij de kandidaat moet kiezen uit een beperkt aantal antwoordmogelijkheden die vooraf gegeven zijn. De kortste variant kent maar twee opties en heet een dichotome vraag.

Vraag: Heb je kinderen? Antwoorden: “Ja” of “Nee”

Het verschil met een meervoudige keuze zit alleen in het aantal toegestane kruisjes. Enquêtetools maken van single choice meestal een radiobutton, en bij lange lijsten een keuzelijst: klik je een tweede optie aan, dan springt de eerste los. Omdat de categorieën elkaar inhoudelijk uitsluiten, tellen de percentages van de geldige antwoorden later op tot 100 procent.

Over de Nederlandse termen

“Single choice” is toolterminologie, geen Nederlands vakjargon. Cito hanteert in de Toetstechnische Begrippenlijst de term meerkeuzevraag en schrijft daarbij: “Doorgaans gaat men ervan uit dat bij een meerkeuzevraag slechts een alternatief juist of het beste is.” Een meerkeuzevraag is in Nederland dus standaard al een vraag met één goed antwoord. Het CBS zet daarnaast de kop enkelvoudige keuze boven de vorm met twee alternatieven. Wie meerdere antwoorden wil toestaan, zet dat er in het Nederlands uitdrukkelijk bij.

Waar je single-choice vragen tegenkomt

Single-choice vragen staan overal waar per persoon maar één waarde klopt: één opleiding, één woonprovincie, één leeftijdsgroep, één dienstverband. Daarmee draagt dit vraagtype bijna elk demografisch blok aan het eind van een vragenlijst.

De tweede grote toepassing is de filtervraag. “Heb je het afgelopen jaar aan een online enquête meegedaan?” bepaalt het verdere verloop, en die routing werkt alleen als er precies één antwoord mogelijk is. Bij het opstellen van een vragenlijst loont het dus om de filtervragen als eerste vast te leggen.

Single-choice vraag in de vragenlijst van een online enquête: slechts één van de gegeven antwoorden is te kiezen

Ten derde is elk afzonderlijk item van een ratingschaal technisch gezien een single-choice vraag. De antwoordopties lopen daar op in sterkte in plaats van gelijkwaardig naast elkaar te staan:

Hoeveel interesse heb je in voetbal?

  • Heel veel
  • Veel
  • Matig
  • Weinig
  • Helemaal geen

Welk meetniveau levert een single-choice vraag op?

De antwoordopties bepalen het meetniveau van een single-choice vraag, het vraagtype doet dat niet. Staan de opties gelijkwaardig naast elkaar, dan ontstaat een nominale schaal. Dragen ze een herkenbare rangorde, dan ontstaat een ordinale schaal. Zijn het getelde aantallen met een echt nulpunt, zoals het aantal kinderen of het studiejaar, dan is het meetniveau zelfs metrisch.

Dat onderscheid bepaalt welke analyses je later nog mag uitvoeren. Het CBS schrijft in de methodenreeks Vragenlijstontwikkeling (2010) dat de soort analyses die op de data kunnen worden uitgevoerd afhangt van het meetniveau van de variabelen. Een gemiddelde over opleidingen zegt dus niets, ook al rekent je software het bereidwillig uit.

AntwoordoptiesMeetniveauZinvolle analyse
opleiding, provincie, ja of neenominale schaalfrequenties, modus, kruistabel
nooit, zelden, soms, vaak, altijdordinale schaalmediaan, kwartielen, rangcorrelatie
leeftijdsgroepen, aantal kinderen, studiejaarin klassen ingedeelde metrische grootheidmediaan en kwartielen, gemiddelde alleen uit klassenmiddens

Het omstreden geval: de afstanden tussen schaalstappen

Het debat gaat over de tweede rij, zodra iemand over die stappen wil middelen. Strikt genomen levert een geordende antwoordlijst een ordinale schaal op, want niemand kan garanderen dat respondenten de afstand tussen “vaak” en “altijd” even groot vinden als die tussen “soms” en “vaak”. In de praktijk behandelen onderzoekers zulke items toch vaak alsof de afstanden gelijk zijn. Die metrische behandeling geldt vooral de somscore over meerdere items van een likertschaal; een gemiddelde over één los item blijft aanvechtbaar. In een scriptie hoor je die keuze te onderbouwen en niet stilzwijgend te maken.

De ordening in de antwoordopties bepaalt wat je later mag rekenen.

Single choice of multiple choice: wanneer kies je wat?

Single choice past als de antwoordmogelijkheden elkaar uitsluiten, multiple choice past als er meerdere tegelijk kunnen kloppen. Een simpele controle helpt: kun je je een persoon voorstellen op wie twee opties tegelijk slaan, dan is single choice de verkeerde vorm.

De prijs van die keuze zit in de analyse. Bij single choice tellen de percentages van de geldige antwoorden op tot 100, bij multiple choice komen ze daarboven uit. Wie beide vormen in één diagram naast elkaar zet, vergelijkt twee verschillende grootheden.

Het CBS geeft bij lijsten met antwoordmogelijkheden precies hierover een aanwijzing: “maak duidelijk of één of meer antwoordmogelijkheden mogen worden aangekruist”. Wat voor jou vanzelf spreekt, blijft voor de invuller een gok.

VraagPassend vraagtype
In welk studiejaar zit je?single choice
Welke talen spreek je?multiple choice
Hoe tevreden ben je over de begeleiding?single choice op een beoordelingsschaal
Wat heb je in het vak gemist?open vraag

De vierde rij is het geval dat vragenlijsten het vaakst verkeerd oplossen. Ken je de mogelijke antwoorden nog niet, dan is elke optielijst een gok. Dan is een open vraag eerlijker, en de antwoorden daarop leveren je de categorieën voor de volgende meting.

Gratis enquête maken

Met empirio.ai maak je in enkele minuten een moderne online enquête — met hosting in de EU.

  • Enquête met AI
  • Aanpassen met drag & drop
  • Analyse in realtime
Gratis beginnen

Single-choice vragen in tentamens en examens

Single-choice vragen heten in het Nederlandse onderwijs gewoon meerkeuzevragen, en daar meten ze kennis in plaats van een mening. Cito noemt de foute alternatieven afleiders, in het Engels distractors, en omschrijft een afleider als een bij een meerkeuzevraag behorend fout antwoord of een antwoord dat niet het beste is.

Een tentamenvraag volgt daarom strengere regels dan een enquêtevraag. Een antwoordoptie in een enquête mag vaag blijven en wordt toch meegeteld, een alternatief in een tentamen niet. Zodra twee alternatieven allebei verdedigbaar zijn, meet de vraag geen kennis meer maar het vermogen om te raden wat de docent bedoelde.

Scoring van een meerkeuzevraag: goed of fout, niets ertussenin

Meerkeuzevragen worden doorgaans dichotoom gescoord, schrijft Cito: fout levert 0 punten op, goed 1 punt. Tussenvormen bestaan niet zolang er één juist alternatief is. Die scoring maakt een toets snel en betrouwbaar na te kijken, maar ook streng, want een kandidaat die de stof half beheerst ziet dat niet terug in een half punt.

Raadkans: wat levert gokken op een meerkeuzevraag op?

De raadkans volgt rechtstreeks uit het aantal alternatieven: bij een vierkeuzevraag een kwart, bij een tweekeuzevraag de helft. De Universiteit Utrecht rekent in haar handout over toetslengte en cesuur voor dat een toets van veertig vierkeuzevragen een raadkansscore van tien punten kent en dus dertig punten meetbereik overhoudt. Voor hetzelfde meetbereik zijn 45 driekeuzevragen of zestig tweekeuzevragen nodig.

Giscorrectie en cesuur: twee manieren om raden op te vangen

Giscorrectie, ook gokcorrectie of raadkanscorrectie genoemd, trekt punten af voor foute antwoorden. Cito geeft daarvoor de formule waarin de ruwe score wordt verminderd met het aantal foute antwoorden gedeeld door het aantal alternatieven min één. De tweede route laat de scores staan en legt de cesuur hoger: de raadscore gaat eerst van het totaal af en over de resterende punten geldt de gewone norm.

Cito rekent dat tweede geval zelf voor. Bij twaalf vierkeuzevragen en een gewenste norm van 55 procent ware kennis haalt wie alles gokt naar verwachting drie punten, blijven er negen punten over, is 55 procent daarvan vijf punten, en komt de cesuur op acht punten. Cito noemt beide routes relatief streng en adviseert liever het aantal vragen groot genoeg te maken, zodat de kans op slagen door puur gokken vanzelf klein wordt.

Wie de norm bepaalt bij het centraal examen

Bij het centraal examen in het voortgezet onderwijs ligt de norm niet bij de school. Het College voor Toetsen en Examens zet de behaalde score met een n-term om in een cijfer en noemt dat een absolute normering: “Als het centraal examen toevallig wat moeilijker is dan zorgt een wat hogere n-term ervoor dat het cijfer dat de leerling haalt hetzelfde is als bij een wat makkelijker examen” (Toelichting op de normering, februari 2024). In het hoger onderwijs beslist de examencommissie, en wat er precies geldt staat in de onderwijs- en examenregeling van je opleiding. Dit artikel vervangt geen juridisch advies.

Antwoordopties formuleren: waar het op aankomt

Antwoordcategorieën van een single-choice vraag moeten aan drie voorwaarden voldoen. Het CBS noemt ze in de methodenreeks Vragenlijstontwikkeling: zorg voor een uitputtende lijst, zorg ervoor dat de antwoordmogelijkheden elkaar niet overlappen en formuleer de categorieën zo dat zij elkaar uitsluiten.

Precisie is wat er het vaakst bij inschiet. “Vaak” en “af en toe” overlappen formeel niet, maar twee mensen met precies hetzelfde gedrag kruisen verschillend aan. Concrete tijdsaanduidingen lossen dat op: “meerdere keren per week” in plaats van “vaak”.

Checklist voor je antwoordlijst

  • Geen twee opties slaan op dezelfde persoon.
  • Iedere respondent vindt een passende optie.
  • Een restcategorie met invulveld vangt op wat ontbreekt.
  • Tijdsaanduidingen en hoeveelheden staan er concreet in.
  • De volgorde is bewust gekozen, geordend of bewust gemengd.
  • Geen vakterm staat onuitgelegd in een optie.

Over de volgorde van een lange lijst is het CBS eveneens concreet: zet die in een voor de respondent zinvolle volgorde, bijvoorbeeld alfabetisch of geografisch, en zet bij gebrek aan andere overwegingen de meest voorkomende optie bovenaan. Lange lijsten zijn bovendien lastig te verwerken, dus orden ze met subkopjes of kort ze in.

Vier tot zeven schaalpunten

Gaat je single-choice vraag over een mening, dan geeft het CBS vier vuistregels voor de schaal: gebruik doorgaans vier tot zeven schaalpunten, neem evenveel negatieve als positieve punten op, label bij schalen tot zeven punten elk punt met woorden en neem een neutrale optie in het midden op. Houd binnen één blok vragen dezelfde schaal aan, anders vergelijk je bij de analyse appels met peren.

Bij inhoudelijke onderwerpen komt er nog een keuze bij: de optie “weet niet” of “geen mening”. Het CBS adviseert die uitdrukkelijk aan te bieden wanneer te verwachten valt dat veel respondenten niet precies weten waar een vraag over gaat. Ontbreekt daarnaast de categorie “niet van toepassing” terwijl de vraag niet op iedereen slaat, dan kunnen respondenten hun antwoord nergens kwijt. Hoe je die antwoorden daarna verwerkt, staat in het artikel over het analyseren van een vragenlijst.

Veelgemaakte fouten bij single-choice vragen

De meeste problemen met single-choice vragen ontstaan niet tijdens het invullen, maar pas bij de analyse. Dan ligt er een verdeling die niemand kan verklaren, en de oorzaak zit drie weken eerder in de formulering.

Vier patronen duiken daarbij steeds opnieuw op. Alle vier kosten ze hetzelfde: de eenduidigheid waarvoor je dit vraagtype juist had gekozen.

Categorieën die elkaar overlappen

“18 tot 25”, “25 tot 35”, “35 tot 50”: wie precies 25 is, heeft twee goede antwoorden en kiest op gevoel. De frequenties rond de grenzen worden daardoor onbruikbaar zonder dat het iemand opvalt. Zet de grenzen dus zonder overlap: “18 tot 24”, “25 tot 34”, “35 tot 49”.

Een lijst waarin het passende antwoord ontbreekt

Ontbreekt de kloppende optie, dan kiezen respondenten maar iets of ze haken af. Allebei vertekenen ze het resultaat, al is afhaken tenminste zichtbaar. Een restcategorie met een invulveld vangt dat geval op, en het CBS raadt zo’n open categorie aan zodra je de meest voor de hand liggende antwoorden wel kent maar niet zeker weet of de lijst compleet is.

Single choice waar meerdere antwoorden kloppen

Bij “Welke sociale netwerken gebruik je?” dwingt single choice een keuze af die in werkelijkheid niet bestaat. Het resultaat meet dan welk netwerk als eerste in gedachten schiet. Voor zulke vragen is multiple choice de juiste vorm, en het verschil tussen beide vormen staat uitgebreid in de vergelijking van open en gesloten vragen.

Een verplicht antwoord zonder uitweg

Een verplichte vraag zonder passende optie levert foute data op in plaats van ontbrekende. Wie niet wil antwoorden, moet dat kunnen. Anders wordt de bovenste regel aangekruist en klikt de rest van de vragenlijst zich vanzelf vol.

Let op bij demografische vragen

Hoe fijnmaziger je leeftijd, opleiding en functie uitvraagt, hoe makkelijker een afzonderlijke persoon herkenbaar wordt, ook zonder naam in de vragenlijst. De Autoriteit Persoonsgegevens wijst erop dat er ook sprake kan zijn van indirecte persoonsgegevens, dus gegevens die in combinatie met andere gegevens tot een persoon herleidbaar zijn. In een groep van twintig mensen zijn drie single-choice vragen daarvoor al genoeg. Vraag demografische kenmerken dus alleen zo nauwkeurig uit als je analyse ze echt nodig heeft en voeg kleine groepen samen.

Conclusie

Single-choice vragen zijn het minst spannende vraagtype in een vragenlijst en juist daarom het betrouwbaarste. De kwaliteit zit niet in de vraag, maar in de antwoordlijst: uitputtend, zonder overlap, concreet en kort genoeg dat niemand alleen de bovenste regels leest. Staat de vraag in een tentamen, controleer dan vooraf of werkelijk maar één alternatief verdedigbaar is.

Hoe je verdergaat


Wil je je single-choice vragen meteen uitproberen?

Met empirio.ai, een enquêtetool uit Duitsland, stel je je vragenlijst gratis op en analyseer je de antwoorden zonder extra software. Gratis beginnen

Veelgestelde vragen

Single-choice vragen zijn gesloten vragen met meerdere vaste antwoordmogelijkheden waarvan er precies één gekozen mag worden. De opties sluiten elkaar uit. Daardoor ontstaat er per persoon en per vraag één waarde en tellen de percentages van de geldige antwoorden bij de analyse op tot 100 procent. In Nederland heet dit vraagtype meestal gewoon een meerkeuzevraag.

Single choice laat precies één antwoord toe, multiple choice meerdere tegelijk. De keuze hangt aan de zaak zelf: kunnen twee opties op dezelfde persoon slaan, dan hoort de vraag bij multiple choice. Bij single choice tellen de percentages van de geldige antwoorden op tot 100 procent, bij multiple choice komen ze daarboven uit.

Single-choice vragen leveren een nominale schaal op zolang de antwoordopties gelijkwaardig naast elkaar staan, bijvoorbeeld opleiding of provincie. Dragen de opties een rangorde zoals nooit, zelden, vaak en altijd, dan is het meetniveau ordinaal. Gaat het om getelde aantallen met een echt nulpunt, zoals het aantal kinderen, dan is de variabele zelfs metrisch. De antwoordlijst bepaalt het meetniveau, niet het vraagtype.

Meerkeuzevragen worden doorgaans dichotoom gescoord: een goed antwoord levert 1 punt op, elk ander antwoord 0 punten. Cito beschrijft die scoring in de Toetstechnische Begrippenlijst. Wat er daarna met de score gebeurt, hangt af van de cesuur die de opleiding vaststelt, en die staat in de onderwijs- en examenregeling.

Giscorrectie, ook gokcorrectie of raadkanscorrectie genoemd, corrigeert toetsscores of de cesuur voor de kans dat kandidaten het goede antwoord raden. Cito beschrijft twee routes: punten aftrekken voor foute antwoorden, of de raadscore van het totaal afhalen en de cesuur over de rest leggen. Cito noemt beide streng en adviseert liever meer vragen op te nemen.

Een algemeen geldend getal bestaat niet, want het aantal alternatieven bepaalt vooral de raadkans en daarmee de lengte van de toets. De Universiteit Utrecht rekent voor dat veertig vierkeuzevragen hetzelfde meetbereik geven als 45 driekeuzevragen of zestig tweekeuzevragen. Plausibele alternatieven wegen daarbij zwaarder dan veel alternatieven.

Een weet-nietoptie loont zodra te verwachten valt dat een deel van de respondenten het onderwerp niet kent. Het CBS noemt die optie uitdrukkelijk als oplossing voor onbekende onderwerpen, naast een filtervraag of een uitgebreidere introductie. Staat vast dat iedereen een antwoord heeft, dan kan de optie vervallen. Vergeet ook de categorie niet van toepassing niet.

Dit zou je ook kunnen interesseren

Lexicon

Wat is een nominaalschaal? Definitie en voorbeeld

De nominaalschaal sorteert antwoorden in categorieën zonder ze te ordenen. We laten je Nederlandse voorbeelden zien, de toegestane berekeningen en het verschil met de ordinale schaal.